In een nieuwe studie onderzocht het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) een nieuwe bloedtest die een hersenletsel betrouwbaar kan uitsluiten. Op patiënten met een licht hoofdtrauma op de spoeddienst worden blijkbaar nog te vaak CT-scans uitgevoerd. Met mogelijke negatieve gevolgen: patiënten staan bloot aan röntgenstraling en de scans brengen hoge kosten met zich mee. Vandaar enkele aanbevelingen.
De zoektocht naar een betrouwbare manier om hersenletsels na licht hoofdtrauma uit te sluiten, krijgt in Europa steeds meer vaart. Nieuwe bloedbiomarkers – vooral de combinatie GFAP + UCH‑L1 – lijken daarbij een veelbelovende rol te spelen. Met een sensitiviteit van 98% kunnen ze hersenletsel bijzonder goed uitsluiten. Hun prestaties zijn vergelijkbaar met het bekende S100β‑eiwit, maar met een praktisch voordeel: de test blijft langer bruikbaar na het trauma en is niet beïnvloed door huidpigmentatie. Voor spoeddiensten, waar timing vaak een luxe is, maakt dat een merkbaar verschil.
Vals-positieven, praktijk blijft achter
Toch is het verhaal minder eenduidig dan de cijfers doen vermoeden. De lage specificiteit (29%) zorgt voor een hoog aantal vals‑positieven, vooral bij oudere patiënten. Het gevolg: alsnog een CT‑scan, ondanks een positief biomarkerresultaat. Onderzoekers kijken daarom naar leeftijdsgebonden drempelwaarden, die de specificiteit kunnen verbeteren zonder aan veiligheid in te boeten.
Maar zelfs als de wetenschap vooruitgaat, blijft de praktijk in België achter. Uit onderzoek blijkt dat ziekenhuizen sterk verschillen in hun aanpak van licht hoofdtrauma. Klinische algoritmen worden niet overal op dezelfde manier toegepast, en het gebruik van biomarkers is beperkt. Dat is opvallend, want in landen zoals Zweden en Frankrijk maakt S100β al jaren deel uit van de routine. In België botsen biomarkers nog op hindernissen: geen terugbetaling, beperkte beschikbaarheid, organisatorische drempels en een gebrek aan vertrouwen. Zonder duidelijke steun van beroepsverenigingen en het Riziv lijkt een brede implementatie voorlopig onrealistisch.
Alle richtlijnen zijn nochtans helder: biomarkers zijn geen vervanging voor gevalideerde klinische beslisregels. Ze horen pas in beeld te komen nadat een algoritme zoals het Canadese CCTH‑model is toegepast. Harmonisatie van die klinische aanpak is dringend nodig, vindt het KCE, want de variatie tussen spoeddiensten is groot.
Aanbevelingen
1. Eén nationaal klinisch algoritme.
Radiologen en spoedartsen moeten werken met een uniform, gevalideerd algoritme voor licht hoofdtrauma. Dat verhoogt de patiëntveiligheid en biedt een consistent medisch‑juridisch kader. Beroepsverenigingen zoals BeSEDiM, BNS en BSN spelen hierin een sleutelrol.
2. Biomarkers als tweede stap
GFAP+UCH‑L1 of S100β kunnen worden ingezet bij volwassenen met GCS 13–15, maar uitsluitend na klinische evaluatie en wanneer een CT‑scan wordt overwogen. De tests zijn door FDA en CE goedgekeurd als hulpmiddel, niet als zelfstandige diagnostiek.
3. Situaties waarin biomarkers niet zinvol zijn:
- buiten het toegelaten tijdsvenster (6–12 uur na trauma)
- bij 65‑plussers (lage specificiteit; lopend onderzoek kan dit wijzigen)
- wanneer een CT sowieso nodig is
- bij polytrauma (extracranieel letsel beïnvloedt waarden)
- bij stollingsstoornissen of antistolling (CT altijd aangewezen)
4. Tijdelijke terugbetaling
Het Riziv wordt gevraagd een tijdelijke terugbetaling te overwegen, gekoppeld aan een vooraf geplande evaluatie in reële omstandigheden.
5. Belgische praktijkstudies
Onderzoekers moeten nagaan wat biomarkers betekenen in de dagelijkse zorg: impact op CT‑gebruik, kosten, workflow en aanvaardbaarheid.
6. Extra onderzoek bij kinderen en ouderen
Lopende Europese studies (BRAINI2 Paediatric en BRAINI2ELDER) moeten duidelijk maken hoe biomarkers presteren in deze kwetsbare groepen.
> Link naar KCE-rapport








